Tussen de Participatiewet en het familierecht zit een soms moeizame relatie. Het familierecht regelt de zorgplicht van gehuwden voor elkaar en voor hun gezin en de Participatiewet bepaalt wanneer iemand recht heeft op een bijstandsuitkering. Iemands leefvorm (woon- of gezinssituatie) bepaalt daarbij mede de hoogte van z’n uitkering. De hoogte van de uitkeringsnormen verschillen namelijk met de gezinssituatie als uitgangspunt.
Wat als er geen zorg verschaft wordt?
Het belangrijkste uitgangspunt van overheidshandelen zou moeten zijn dat de burger niet de dupe mag worden van een “catch 22”. Laatst las ik een artikel over iemands situatie, die daar sterk op leek: na een huiselijk geweldsincident was aan de man een contact- en gebiedsverbod van 12 maanden opgelegd. De vrouw bleef daardoor zonder inkomen met haar kinderen in de woning achter. En, je voelt hem al, haar aanvraag om bijstand werd afgewezen door de gemeente omdat het huwelijk nog door beiden in stand werd gehouden. Deze afwijzing had voor de betreffende vrouw een hoog catch-22 gehalte.
De echtgenoot hoort zijn gezin te onderhouden. Ook bij een contactverbod kunnen beiden afspraken maken omtrent de kosten van het huishouden, maar dit terzijde. Feit is dat deze vrouw wel kosten heeft, maar geen geld en hij is gestopt met betalen.
De vraag is dus of haar bijstandsaanvraag afgewezen mocht worden. De rechter vond in een voorlopige voorziening van niet. Dus op een of andere manier zal de Participatiewet haar van een inkomen moeten voorzien, maar hoe?
Wat is de invloed van de huwelijkse zorgplicht op de bijstandsuitkering?
In de loop der jaren is door de naoorlogse emancipatiebeweging de maatschappelijke opvatting over (huwelijks)relaties en ook het huwelijksrecht aanzienlijk veranderd. Denk bijvoorbeeld aan de gelijkstelling van man en vrouw in het huwelijk. Daardoor zijn stap voor stap allerlei denigrerende, seksistische verplichtingen uit het huwelijksrecht geschrapt. Als laatste is de plicht tot samenwonen geschrapt. Je hoeft als je gehuwd bent niet meer samen te wonen.
Het vervallen van deze eis naast de huwelijkse verplichting om elkaar het nodige te verschaffen, heeft de praktijk van bijstandsverstrekking aan gehuwden complexer gemaakt. Je kan gehuwd zijn zonder nog samen op één adres te wonen. Dit feit betekent nogal wat voor het bepalen van de toepasselijke norm en de hoogte van de uitkering bij de aanvraag van een alleenwonende gehuwde. Anders gezegd: hoe en met welke middelen van de partner moet je nog rekening houden bij het bepalen van die uitkering?
Is er verschil tussen gehuwd en ongehuwd samenwonen?
Het recht op bijstand en de norm worden in hoge mate bepaald door de burgerlijke staat van de aanvrager. Dus van belang is om goed voor ogen te hebben dat het vaststellen van de norm kan verschillen bij gehuwden of ongehuwd samenwonenden. Ongehuwden die de samenleving verbreken hebben geen (wettelijke) zorgplicht ten opzichte van elkaar. De gelijkstelling aan gehuwden op grond van artikel 3 van de Participatiewet vervalt meteen.
Voor de gehuwden, die niet samenwonen, blijft de gehuwdennorm van toepassing vanwege de plicht om elkaar hulp en bijstand te bieden. Dit is pas anders als die plicht tot ondersteuning in redelijkheid niet meer kan gelden. Dan spreekt de Participatiewet van “duurzaam gescheiden levenden”. Voor de vaststelling van het recht en de hoogte van de uitkering wordt de gehuwde aanvrager dan beschouwd als een ongehuwd persoon en ook zo behandeld (zie artikel 3 Participatiewet).
Is er recht op een bijstandsuitkering als gehuwden niet samenwonen?
Als je het recht op uitkering moet beoordelen van iemand die gehuwd is maar niet samenwoont, wijs zo’n aanvraag dan niet te makkelijk af op grond van het middelenbegrip of het noodzakelijkheidsbeginsel. Mijns inziens kan dat niet gebruikt worden als verkapte huwelijksplicht om onder één dak te wonen. Daarnaast is het recht op vrije gezinsvorming een van de mensenrechten en mag de overheid daar geen beperking aan opleggen, behalve de in het burgerlijk wetboek vermelde huwelijksbeletselen (zoals leeftijd, verwantschap, curatele en dergelijke). De reden om gescheiden te wonen kan niet, in de zin van al dan niet noodzakelijk zijn, betrokken worden bij het vaststellen van het recht op een uitkering.
Wat houdt duurzaam-gescheiden leven in?
Om tot een juiste beoordeling van het recht op uitkering en de hoogte te komen, moet een aantal zaken beoordeeld worden. Betekent het niet samenleven dat er sprake is van duurzaam-gescheiden leven, en moet daarmee jouw aanvrager als een ongehuwd persoon beschouwd worden?
Bij de introductie van artikel 3 is duurzaam-gescheiden leven in de memorie van toelichting omschreven als: de door een of beiden gewenste permanente verbreking van de echtelijke samenleving, waardoor men een geheel eigen leven leidt. En verder: ook als de gehuwden de verbreking niet willen, maar de feitelijke samenleving niet op afzienbare termijn kan worden voortgezet, spreken we van duurzaam-gescheiden leven.
Als geen van deze twee situaties van toepassing is, dan moet onze aanvrager beschouwd worden als gehuwd. Men woont blijkbaar niet samen, maar nog steeds bestaat het huwelijk en dient men voor elkaar te zorgen. De norm en de hoogte van de uitkering zou je kunnen bepalen aan de hand van de artikelen over de niet-rechthebbende partner (artikelen 24 en 32).
Welke uitkeringsnorm gaan we verstrekken?
In de onderhavige casus lijkt het mij nodig om maandelijks een uitkering te verstrekken. Even afgezien van het al dan niet duurzaam-gescheiden leven: doordat de man zijn gezin niet meer onderhoudt, is er aanspraak op een uitkering. Als we aanleiding zien om de niet-rechthebbende partnernorm te hanteren, dan blijft het feit dat de man niet betaalt een probleem waardoor het gezin onder de armoedegrens komt. Je kan je afvragen in hoeverre en op welke termijn de vrouw zijn bijdrage in rechte kan afdwingen en wat dat betekent voor de door hen gewenste toekomstige voortzetting van het huwelijk (na die 12 maanden).
Kunnen we hier spreken van duurzaam-gescheiden levende echtgenoten?
Ja, vind ik wel. Ik zou zeggen dat de situatie door beiden niet gewenst is (het contact- en gebiedsverbod door de rechter) en dat 12 maanden te lang is om van een afzienbare termijn te spreken. De definitie van een afzienbare termijn in het woordenboek is “binnenkort”. Twaalf maanden is langer dan dat. Op deze wijze kan de aanvrager beschouwd worden als een ongehuwd persoon, wat de bepaling van de norm en de hoogte van de maandelijkse uitkering haar ten goede komt. Ook met deze manier van verstrekken is verhaal op de weigerachtige echtgenoot mogelijk en, als hij tot inkeer komt, kan zijn bijdrage gekort of teruggevorderd worden. Deze benadering geeft deze vrouw ondersteuning en het vertrouwen dat zij niet in de schulden komt of haar woning kwijtraakt, en voorkomt de catch 22. Catch 22 is, overigens, een roman uit 1961 van de Amerikaanse schrijver Joseph Heller.