Giften en kostenbesparende bijdragen in de Participatiewet

De nieuwe Participatiewet introduceert een grens van € 1.200 per jaar waaronder giften en kostenbesparende bijdragen geen invloed hebben op de uitkering. Titus Williams legt uit wat er verandert, hoe het complementariteitsbeginsel en de menselijke maat samenkomen, en wat te doen bij overschrijding of samenloop.
Professional in gesprek binnen het sociaal domein

Wat verandert er aan het vrijlaten van giften en kostenbesparende bijdragen in de nieuwe Participatiewet?

Nieuw in de participatiewet is het noemen van een grens waaronder giften en bijdragen (die leiden tot kostenbesparing) niet van invloed zijn op de hoogte van de uitkering. Deze grens is voor dit jaar (2026) € 1200,– op jaarbasis. Dit bedrag wordt jaarlijks geïndiceerd. Een bijstandsontvanger mag dus giften en bijdragen ontvangen tot dat bedrag zonder daar verantwoording over af te hoeven leggen. Ook een uitzondering hierop wordt in de wet genoemd: bijdragen van de voedselbank tellen sowieso niet mee.

Personen met een bijstandsuitkering die stortingen en bijschrijvingen op hun bankrekening ontvingen, werden vaak gekort op hun maandelijkse uitkering. Iedereen die niet overtuigend kon aantonen waar de storting voor is of was (of van wie), kreeg met indringende vragen, verlaging van de uitkering en soms ook nog met een boete te maken. Deze handelswijze van gemeentelijke uitkeringsinstanties was in sommige situaties onbillijk en hardvochtig te noemen. En staat op gespannen voet met de politiek breed gedragen wens dat de overheid de menselijke waardigheid respecteert.

Wat houdt het complementariteitsbeginsel in?

Complementariteit is een van de oudste uitgangspunten van de wet. Wie een bijstandsuitkering aanvraagt heeft daar recht op voor zover zijn eigen middelen (geld/inkomsten) te weinig/te laag zijn. Het eigen inkomen wordt vergeleken met het voor die persoon bedoelde bestaansminimum. En als dat lager is, dan vult de bijstand het inkomen aan. Wie geheel geen eigen inkomen heeft, ontvangt een volle uitkering, gelijk aan het bestaansminimum.

De complementariteit van de uitkering krijgt gestalte in de artikelen die het al dan niet laten meetellen van middelen regelen; dat zijn de artikelen 18 en 31. Onder middelen verstaan we hier vooral inkomsten en bezit (vermogen). Welke zaken meetellen en de manier waarop staat hier beschreven. Voor die middelen die niet vrijgelaten worden, geldt dus onverkort de aanvullings- of kortingssystematiek van het complementariteitsbeginsel.

Hoe wordt menswaardigheid als nieuw beginsel tot uitdrukking gebracht?

Met de Participatiewet in balans heeft de wetgever het complementariteitsbeginsel begrensd door de artikelen over middelen en afstemming te wijzigen. Het achtste lid met sterretje (de asterisk “*”) in het afstemmingsartikel (18) van de Participatiewet is een concrete uitwerking van de wens om de menswaardigheid; de menselijke maat als nieuw beginsel van de wet tot uitdrukking te brengen. Ook mensen met een uitkering moeten een beroep kunnen doen op hun sociale netwerken. De moderne, gangbare betalingsapps moeten voor hen ook benutbaar zijn.

Tegenwoordig is veelal het chartale geld vervangen door giraal geld. In plaats van echte munten en briefjes in de portemonnee heb je nu je geld in je bankapp, die een beetje de functie van het portemonneetje heeft overgenomen. En daardoor heeft de controlerende uitkeringsinstantie opeens inzicht in- en een oordeel over al die bijschrijvinkjes in je bankapp.

Anders gezegd: een tikkie moet niet tot een inkomstenkorting en bijbehorende boeteoverweging leiden. Een menswaardig bestaan vraagt van de gemeentelijke uitkeringsinstantie een relatie en een manier van communiceren met haar bijstandsafhankelijke burgers van vertrouwen en ondersteuning.

Waarin verschilt een kostenbesparende bijdrage van een gift?

In de wet is een verdeling gemaakt om verschillende soorten (al dan niet geldelijke) middelen naar aard en doel te kunnen onderscheiden. En zo te bepalen hoe deze meetellen of vrijgelaten worden. Giften en bijdragen zijn geldbedragen of spullen van waarde, die de ontvanger krijgt zonder een tegenprestatie te hoeven leveren en zonder verplichtingen voor de gever.

Onder een gift verstaan we een geschonken geldbedrag. Een gift kan een specifieke bestemming hebben. Maar de gift kan ook zonder meer gegeven zijn of bedoeld zijn voor zaken die ook in de algemene bijstand zijn begrepen (de noodzakelijke kosten van het bestaan). In dat geval kan je van mening zijn dat deze gift leidt tot een zekere mate van kostenbesparing.

Ook kostenbesparende bijdragen worden gedaan zonder verplichtingen of tegenprestatie. Dit type bijdrage verschilt van de gift doordat de bestemming door de gever al bepaald is. Je krijgt bijvoorbeeld boodschappen met een bepaalde waarde of iemand betaalt de boodschappen voor jou. Deze bijdragen zijn dus bestemd voor zaken waarvoor ook de maandelijkse uitkering bedoeld is. Daarom worden dit “bijdragen die leiden tot kostenbesparing” genoemd. Een kostenbesparende bijdrage is daarmee ook een gift. Maar met bijzondere kenmerken, namelijk:

  • De gever bepaalt het doel door spullen te geven of door deze spullen te betalen.
  • De bestemming betreft zaken die tot de noodzakelijke bestaanskosten behoren.

Een gift die niet aan beide voorwaarden voldoet is dus geen kostenbesparende bijdrage.

Wat te doen als de ontvangsten de grens van € 1200,– overstijgen?

Giften en kostenbesparende bijdragen hebben pas gevolgen voor het recht op uitkering bij overschrijding van de twaalfhonderdeuro-grens. Dan gaat de inlichtingenplicht pas gelden. Op dat moment hoeft pas bekeken te worden hoe met deze overschrijding moet worden omgegaan. Allereerst moet vastgesteld worden waaruit de overschrijding bestaat. Betreft het een gift of besparingsbijdrage?

Voor besparingsbijdragen geldt dat deze boven het vrijlatingsbedrag in mindering op de uitkering gebracht moeten worden. De kostenbesparende bijdrage wordt in de wet alleen in artikel 18 genoemd (samen met de vrijlatingsgrens). De gift (het ruimere begrip) wordt in het tweede lid van artikel 31 genoemd, op twee plaatsen: bij de letters m en s. Onder m vallen de giften die, eventueel samen met de kostenbesparende bijdragen, onder de twaalfhonderdeuro-grens blijven. Onder s staat eigenlijk de oude wettekst over giften en vergoedingen voor materiële en immateriële schade. Daarvoor blijft gelden dat deze niet in aanmerking worden genomen als dat naar het oordeel van het college verantwoord is uit het oogpunt van bijstandsverlening. Aan het beoordelen van een gift boven de € 1200,– verandert niets.

Wat doe je bij samenloop?

In een kalenderjaar, zo is de verwachting, zal slechts een enkele bijstandsontvanger meer aan giften en kostenbesparende bijdragen ontvangen dan het grensbedrag. Er kan sprake zijn van verschillende incidentele ontvangsten of (verschillende) periodieke ontvangsten of een combinatie van beiden. Daarnaast kan iemand maandelijks aangewezen zijn op steun door de voedselbank.

Zoals gezegd voor giften blijft artikel 31, tweede lid onder s gelden en het beleid dat daarop gebaseerd is. De kostenbesparende bijdrage wordt alleen genoemd in artikel 18 en dat is nog steeds het individualiseringsartikel van de wet. Naar mijn mening is het daarom niet nodig een uitgebreide instructie met rangvolgorde te ontwerpen. Of het moment van overschrijding en de bijbehorende ontvangst als keihard uitgangspunt of wijzigingsdatum te nemen.

Stel iemand heeft door het jaar heen verschillende ontvangsten en er worden eventueel ook nog maandelijks boodschappen van de voedselbank ontvangen, dan zou ik het hele samenstel van giften, bijdragen en ontvangsten bekijken. En na deze inventarisatie datgene doen wat in de gegeven situatie redelijk en billijk is, met als uitgangspunt het bevorderen van een menswaardig bestaan. Je handelt naar de specifieke omstandigheden van de persoon. Daarbij ben ik van mening dat de grens van € 1200,– in het licht van de economische ontwikkelingen (inflatie) beschouwd moet worden. Deze grens is niet absoluut, omdat deze immers elk jaar geïndiceerd wordt.