Nieuws

De uitkering en de vakantieperiode: Op hoeveel vakantiedagen heb je recht?

Twee mensen in gesprek over een uitkering en verblijf in het buitenland

Aan het eind van de zomerperiode starten in veel gemeenten weer de onderzoeken naar de vakantiereizen van personen met een uitkering. Hoe lang is iemand weg geweest naar het buitenland, wat betekent dat voor de hoogte van zijn uitkering? Zulke onderzoeken hebben te maken met het recht op bijstand. Dat is beperkt tot personen die zich in Nederland bevinden en er wonen. Met een moeilijk woord noemen we dat “territorialiteit”. Dat is een van de belangrijkste uitgangspunten van de Participatiewet en wordt in artikel 11 genoemd.

Wat verstaat de wet onder “wonen” en “woonachtig zijn”?

Naast het feitelijk in Nederland zijn, is het ook vereist dat iemand woonachtig in Nederland moet zijn. Woonachtig als begrip komt vrijwel overeen met het begrip “domicilie”, nog een moeilijk woord (artikel 40 Pw). Maar er is een verschil. Van domicilie is sprake als iemand een woonplaats heeft, een woonadres. Dat is de plaats waar het zwaartepunt van zijn leven zich afspeelt. En het maakt meteen duidelijk welke gemeente de uitkering moet verstrekken.

Woonachtig daarentegen veronderstelt dat er een duurzame band tussen bedoelde persoon en Nederland is. Een persoon moet zich dus binnen de landsgrenzen bevinden, minstens een duurzame, persoonlijke band met Nederland hebben en, beter nog, de kern van zijn leven dient zich hier af te spelen (het woonadres, de woonplaats). Dan kan men recht op bijstand hebben.

Mag je met een uitkering op vakantie?

De Participatiewet heeft het strikt genomen nergens over vakantie of op vakantie gaan. Wel is er een artikel dat het recht op uitkering en het verblijven in het buitenland regelt. Vakantie kan een doel zijn om naar het buitenland te gaan, maar de participatiewet kijkt alleen naar het “verblijf elders” en niet naar het doel ervan. In artikel 13 is geregeld dat iemand met behoud van de uitkering 28 dagen in het buitenland mag verblijven. Met deze toegestane dagen werkt het niet hetzelfde als met de vakantiedagen van een dienstverband, je kan er geen recht mee opbouwen. In de praktijk worden de begrippen vakantie en verblijf in het buitenland vaak door elkaar gebruikt.

Vakantie vieren in eigen land is ook mogelijk, zolang men zijn arbeids- en re-integratieverplichtingen blijft nakomen. Hier geldt de termijn van 28 dagen niet. Wel is het domiciliebeginsel van kracht. Iemands woonplaats wordt door een vakantie niet gewijzigd.

Met behoud van uitkering mag je dus op vakantie. In Nederland als je dit hebt afgestemd met je werkcoach (je moet formeel toestemming hebben) en duidelijk moet zijn dat er geen sprake is van een feitelijk verblijf elders. In het buitenland geldt daarnaast dat de duur van het verblijf maximaal 4 weken is. Ook als je meerdere keren in het jaar naar het buitenland gaat, mag dat bij elkaar opgeteld niet meer zijn dan 28 dagen.

Te lang of langer weg: wat betekent dat voor de uitkering?

Wie langer wegblijft krijgt voor de duur van de overschrijding geen uitkering. Als daarbij sprake is van het niet nakomen van verplichtingen, zoals het missen van opleidingsdagen of voortgangsgesprekken, kan een maatregel opgelegd worden. Bij het schenden van de inlichtingenplicht is tevens een boete mogelijk. Dan is iemand te lang naar het buitenland geweest zonder daarover met de werkcoach of klantmanager gesproken te hebben of toestemming te hebben gekregen.

De bijstand over de afwezige overschrijdingsdagen wordt teruggevorderd of niet uitbetaald. In het laatste geval is de maanduitkering een stuk lager, afhankelijk van de duur van de overschrijding en in het eerste geval moet de schuld maandelijks afgelost worden.

Wat gebeurt er bij emigratie?

Als een persoon met een uitkering zich in het buitenland vestigt, dan kan je stellen dat hij zijn domicilie verplaatst. Als iemand dat op een nette manier doet dan zegt hij de huur op, informeert de uitkeringsinstantie en andere instanties, en hij regelt allerlei andere zaken in verband met zijn vertrek. Het recht op bijstand eindigt daarmee op de datum van vertrek.

Soms wenst iemand op grond van het “vakantieartikel” nog doorbetaling gedurende de vier weken. Maar de doorbetaling van de uitkering tot het bedrag berekend naar 28 dagen recht is geen afscheidscadeau bij vestiging in het buitenland. Er kan alleen recht op bijstand zijn als iemand aan de voorwaarden van artikel 11 voldoet: territorialiteit! Er moet sprake zijn van feitelijk aanwezig zijn in Nederland en van woonachtig zijn. Het domicilie, immers, is al verplaatst naar het buitenland. De huur is opgezegd, gas en licht afgesloten. Men is al daadwerkelijk vertrokken naar het buitenland. Dus er is geen sprake van fysieke aanwezigheid. De persoonlijke band van de vertrekkende persoon en Nederland is er nog wel, maar van duurzaamheid is door het opzeggen van het domicilie geen sprake meer. Als dat allemaal het geval is, dan is er geen reden om de eerste 28 dagen als toegestaan, tijdelijk verblijf op te vatten en de uitkering pas na die periode te beëindigen.

Kan je toch langer in het buitenland verblijven?

Het territorialiteitsbeginsel en domiciliebeginsel zijn beiden belangrijke en bijna onwrikbare uitgangspunten van de Participatiewet, al sinds de Algemene Bijstandswet werd ingevoerd. Toch heeft een gemeente de mogelijkheid om zelf ruimer met de 28-dagen termijn om te gaan en daar beleid voor te maken.

De gemeente kan in bepaalde situaties iemand toestaan om langer in het buitenland te zijn met behoud van de uitkering. Sinds de gewijzigde opvatting van de bestuursrechters met betrekking tot het toetsen van buitenwettelijk beleid, noemen we dit: tegenwettelijk (begunstigend) beleid.* Het staat een gemeente vrij om toch langer verblijf toe te staan. Het is weliswaar tegen de wet (tegen artikel 13 Pw) en zal daarom marginaal getoetst worden bij een beroepszaak. Ook wordt het niet aan het evenredigheidsbeginsel getoetst.

We kennen voorbeelden van dit beleid uit het verleden. Bij grote rampen, zoals bijvoorbeeld aardbevingen, konden in sommige grote steden personen, die familie in die aardbevingsgebieden hadden, langer dan 28 dagen daarheen om hulp te verlenen. Hun uitkering werd dan niet gestopt.

Die toestemming om langer weg te blijven werd natuurlijk individueel gegeven, maar je ziet dat het beleid meer gericht was op een bijzondere groep dan op individuen. Namelijk personen die hun wortels in zo’n gebied hebben (er geboren zijn, familie hebben, dezelfde achtergrond hebben). En het doel van hun langer verblijf speelde een grote rol in dit beleid (hulp verlenen). Ook nu zou dergelijk tegenwettelijk beleid door een gemeente toegepast kunnen worden, ten behoeve van Nepal bijvoorbeeld.

Als iemand door overmacht of persoonlijke tegenslag langer dan toegestaan in het buitenland moet blijven, dan is de wens om de uitkering toch door te laten lopen echter te vergeefs. In die gevallen zal er zelden gesproken kunnen worden van een acute noodsituatie waarbij bijstandsverlening de enig mogelijke manier is om de situatie te verhelpen (artikel 16 Pw). En tegenwettelijk beleid voor dit soort situaties is mij te strijdig met de belangrijkste pijlers van de wet.

zie ECLI:NL:CRVB:2025:700 4.6.3.

Speelt dit ook in uw uitvoering?

Wij leiden op voor de zes rollen waar het in de gemeentelijke uitvoering op aankomt, individueel of incompany voor een heel team.